Bg 11.41-42
he kṛṣṇa he yādava he sakheti
ajānatā mahimānaṁ tavedaṁ
mayā pramādāt praṇayena vāpi
vihāra-śayyāsana-bhojaneṣu
eko ’tha vāpy acyuta tat-samakṣaṁ
tat kṣāmaye tvām aham aprameyam
Hoewel Kṛṣṇa in Zijn kosmische gedaante voor Arjuna verschenen is, herinnert Arjuna zich zijn relatie met Hem als vriend en vraagt daarom vergiffenis en verzoekt Kṛṣṇa om hem de vele vrijmoedigheden die uit vriendschap voortkomen te vergeven. Hij geeft toe dat hij eerder niet wist dat Kṛṣṇa zo’n kosmische gedaante kon aannemen, hoewel Kṛṣṇa hem dit als een innige vriend had uitgelegd. Arjuna wist niet hoe vaak hij Kṛṣṇa zonder eerbied behandeld had, door Hem aan te spreken als ‘o mijn vriend’, ‘o Kṛṣṇa’, ‘o Yādava’, enz. zonder zijn volheden te erkennen. Maar Kṛṣṇa is zo vriendelijk en genadig, dat Hij ondanks die volheden met Arjuna omging als vriend. Dat is het kenmerk van de transcendentale, wederzijdse uitwisseling van liefde tussen de toegewijde en de Heer. De relatie tussen het levend wezen en Kṛṣṇa staat voor eeuwig vast; ze kan niet vergeten worden, wat we aan Arjuna’s gedrag kunnen zien. Ook al heeft Arjuna de volheden in de kosmische gedaante gezien, toch kan hij de relatie die hij met Kṛṣṇa had als vriend niet vergeten.
