Bg 18.51-53
śabdādīn viṣayāṁs tyaktvā, rāga-dveṣau vyudasya ca
dhyāna-yoga-paro nityaṁ, vairāgyaṁ samupāśritaḥ
vimucya nirmamaḥ śānto, brahma-bhūyāya kalpate
Wanneer iemand door zijn intelligentie gezuiverd is, zorgt hij ervoor dat hij in de hoedanigheid goedheid blijft. Op die manier is hij in staat de geest te besturen en zal hij altijd in een staat van diepe meditatie zijn. Hij is niet gehecht aan de objecten van zinsbevrediging en is vrij van gehechtheid en haat ten opzichte van zijn activiteiten. Zo’n onthecht persoon geeft er van nature de voorkeur aan om in een afgezonderde plaats te leven; hij eet niet meer dan hij nodig heeft en beheerst de activiteiten van lichaam en geest. Hij heeft geen vals ego, want hij beschouwt het lichaam niet als het zelf. Hij heeft evenmin het verlangen om het lichaam vet en sterk te maken door zoveel materiële dingen te aanvaarden. Omdat hij geen lichamelijke levensopvatting heeft, is hij vrij van valse trots. Hij is tevreden met alles wat hem door de genade van de Heer geschonken wordt en hij is nooit kwaad in de afwezigheid van zinsbevrediging. Hij doet ook nooit veel moeite om zinsobjecten te krijgen. Wanneer hij op zo’n manier volkomen vrij is van vals ego, raakt hij onthecht van alle materiële zaken en dat is het niveau van zelfrealisatie of Brahman. Dat niveau wordt het brahma-bhūta-niveau genoemd. Wie vrij is van de materialistische levensopvatting, wordt vreedzaam en onverstoorbaar. Dit wordt beschreven in Bhagavad-gītā 2.70:
āpūryamāṇam acala-pratiṣṭhaṁ
samudram āpaḥ praviśanti yadvat
tadvat kāmā yaṁ praviśanti sarve
sa śāntim āpnoti na kāma-kāmī
‘Alleen iemand die niet verstoord wordt door de onophoudelijke stroom van verlangens — die als rivieren in de oceaan stromen, die zelf voortdurend gevuld wordt, maar altijd rustig blijft — kan vrede vinden, maar degene die zulke verlangens probeert te vervullen niet.’
